Vastgoed

Is een aandelentransactie onderworpen aan het Didam-arrest?

Auteur: Mr. V.C. (Vincent) Hofman

Als een overheidslichaam een onroerende zaak wil verkopen, zal ruimte geboden moeten worden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak als er meer gegadigden zijn, of dit redelijkerwijs te verwachten is, voor de aankoop daarvan. Dat is wat de Hoge Raad in zijn Didam-arrest[1] in 2021 heeft geoordeeld.[2] De ratio van deze rechtsregel is dat iedere gegadigde een gelijke kans moet krijgen om mee te dingen.

Het Didam-arrest dwingt het overheidslichaam een openbare selectieprocedure op touw te zetten waarin hij aan de hand van te formuleren objectieve, toetsbare en redelijke criteria een koper voor de onroerende zaak selecteert. Dit is de hoofdregel. Daarop geldt één uitzondering, die later aan bod komt.

Het Didam-arrest ging over de aankoop van (schaars) gemeentelijk onroerend goed. Vervolgens was wel duidelijk dat de Didam-spelregels (in ieder geval) zouden gelden bij een dergelijke (voorgenomen) onroerend goed-transactie.

Inmiddels is duidelijk dat andere vormen van ‘gronduitgifte’ zoals erfpacht[3], grondruil[4], pacht[5], bruikleen[6] en huur, ook binnen de reikwijdte van het Didam-arrest vallen. Het ging hier telkens om direct aan vastgoed gerelateerde overeenkomsten. Maar hoe zit het met andere aan een overheidslichaam toebehorende subjectieve vermogensrechten, zoals aandelen? Deze vraag werd zeer recent voorgelegd aan de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Wat was er aan de hand?

Gemeente Vlissingen en Gemeente Sluis zijn gezamenlijk eigenaar van de aandelen in het kapitaal van de Holding Zeeuwse Visveilingen B.V. (HZV), de 100%-houdster van de aandelen in de onderneming die de visveiling in Vlissingen exploiteert.

Op 30 augustus 2023 hebben de gemeentes het voornemen bekend gemaakt om hun aandelen in HZV te willen verkopen aan de besloten vennootschap Beheercoöperatie Urk B.V. (Urk). Daarbij is vermeld dat eenieder die het oneens is met de voorgenomen verkoop aan Urk en meent dat hij, met inachtneming van de doelen van de verkoop (te weten privatiseren van de visveilingactiviteiten en het behouden van een visveiling in Zeeland), als een serieuze gegadigde ook in aanmerking komt voor aankoop van de aandelen, dit gemotiveerd kenbaar dient te maken door binnen 20 dagen een kort geding aanhangig te maken. United Fish Auctions N.V. (UFA), die van mening is (ook) een serieuze gegadigde te zijn, startte vervolgens een kort geding.

Enige serieuze gegadigde?

Hiervoor zagen we dat het Didam-arrest als hoofdregel het overheidslichaam oplegt een openbare selectieprocedure te organiseren, als er meer dan één gegadigde is.

Van een openbare selectieprocedure kan volgens de Hoge Raad in het Didam-arrest worden afgezien (en dus onderhands c.q. ‘1-op-1’ worden gegund), als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat eenieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.

In de hierboven besproken zaak was meer dan één gegadigde. Toch zagen de gemeentes af van een openbare selectieprocedure. Zij beriepen zich aldus op de uitzonderingsgrond, stellende dat Urk de enige serieuze gegadigde is, omdat alleen Urk bereid zou zijn het behoud van een visveiling in Zeeland te garanderen.

Beoordeling Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Alvorens zich te kunnen buigen over de vraag of Urk de enige serieuze gegadigde is, diende de kortgedingrechter tot de conclusie te komen of ook een aandelentransactie onderworpen is aan het Didam-arrest. Die vraag lag nog niet eerder voor in de rechtspraak. De kortgedingrechter:[7]

De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden aangenomen dat het Didam-arrest ook op deze situatie, waarin sprake is van verkoop door de gemeente Vlissingen c.s. van de aandelen in HZV, van toepassing is. Uit het Didam arrest valt niet af te leiden dat de Hoge Raad de strekking daarvan heeft willen beperken tot de verkoop door een overheidslichaam van onroerende zaken. In de onderhavige zaak gaat het ook om verkoop door een overheidslichaam van een schaars goed, zodat daarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur eveneens van toepassing zijn. De gemeente Vlissingen c.s. dienen dus ook bij deze verkoop het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. Zij hebben dit dan ook terecht niet weersproken.

Uiteindelijk luidt de slotsom van de kortgedingrechter dat de gemeentes redelijkerwijs niet mochten aannemen dat UFA niet bereid of in staat was de kennelijk gewenste garantie af te geven. Dit brengt mee dat de gemeentes, na het afbreken van de onderhandelingen met UFA, ook redelijkerwijs niet mocht aannemen dat bij voorbaat vast stond dat UFA geen serieuze gegadigde meer was voor de koop van de aandelen, afgemeten naar objectieve, toetsbare en redelijke criteria.

UFA’s vorderingen worden toegewezen. Aangezien dus géén sprake was van een uitzondering als bedoeld in het Didam-arrest hadden de gemeentes een openbare selectieprocedure moeten doorlopen, hetgeen zij hebben nagelaten en nu alsnog zullen moeten doen.

Commentaar

Interessant aan deze uitspraak is dat de kortgedingrechter heeft geoordeeld dat ook een aandelenoverdracht onder de werking van het Didam-arrest valt. Schaars overheidseigendom strekt zich terecht niet alleen uit tot onroerend goed, maar omvat ook andersoortig overheidsvermogen. Ook dan geldt de rechtsregel uit het Didam-arrest, die immers breed geformuleerd is.[8]

UFA werd in de hierboven besproken zaak bijgestaan door Natasja Robijn-Meijer en Vincent Hofman. Voor vragen over deze materie, kunt u bij hen terecht.



[1] HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778, r.o. 3.1.4 (Didam Have/Gemeente Montferland).

[2] In het bestuursrecht bestond deze rechtsregel al. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had deze rechtsregel voor de verdeling van schaarse vergunningen in de uitspraak Speelautomatenhal Vlaardingen in 2016 bevestigd (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, r.o. 8, (Speelautomatenhal Vlaardingen)).

[3] Rb. Gelderland 8 november 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6184.

[4] Rb. Overijsel 14 september 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2584.

[5] Rb. Noord-Nederland 10 januari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:82.

[6] Rb. Overijsel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1477.

[7] Rb. Zeeland-West-Brabant 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7207.

[8] Zie C.E.C. Jansen, F.J. van Ommeren en W.H. van Boom, ‘De verplichting tot het bieden van mededingingsruimte bij privaatrechtelijk overheidshandelen’, NJB 2022/746, par. 3.1.