Voortzetting van de trend: een terughoudende toetsing van de mer-beoordeling door de bestuursrechter

Voortzetting van de trend: een terughoudende toetsing van de mer-beoordeling door de bestuursrechter

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) zijn activiteiten opgenomen waarvoor, als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden, een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. Het gaat onder andere om de oprichting van een windpark met meer dan 10 turbines of een vermogen van meer dan 15 mw en de oprichting van een installatie voor de bovengrondse opslag van aardgas met een opslagcapaciteit van 100.000 m3 of meer.

Het gaat dus om activiteiten die een behoorlijke impact op het milieu kunnen hebben. Om die reden moet dan ook een m.e.r.-beoordeling worden verricht. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat de activiteit aanzienlijke negatieve milieueffecten kan hebben, dan moet er alsnog een volledige m.e.r. worden verricht. Blijkt dat deze negatieve effecten er niet zijn, dan blijft een m.e.r. achterwege. Wat nu als u het niet eens bent met de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, kunt u de bestuursrechter dan van uw gelijk overtuigen? Dat is, zoals blijkt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling), een zware dobber.

Eind vorig jaar heeft de Afdeling een tweetal uitspraken gewezen, inzake Gasselterveld[1] en Hazerswoude-Dorp[2] waaruit blijkt dat de bestuursrechter zich uitermate terughoudend opstelt bij de toetsing van de mer-beoordeling. De Afdeling zet hiermee de eerder ingeslagen weg voort. De uitspraak Gasselterveld betrof de uitbreiding van een ontgronding in het Gasselterveld met 18 ha. Uit de aanmeldingsnotitie bleek, dat niet kon worden uitgesloten dat de ontgronding belangrijke nadelige milieugevolgen kon hebben voor de nabijgelegen Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het Natura 2000-gebied en het stiltegebied. Er moest daarom een m.e.r. worden gemaakt. In een dergelijk geval moet dan de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) worden geweigerd.

De Afdeling oordeelde dat het standpunt, dat de ontgronding belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kon hebben, niet onredelijk was. Volgens de Afdeling is in de aanmeldingsnotitie rekening gehouden met de criteria van bijlage III bij de M.e.r.-richtlijn, dat wil zeggen de kenmerken, de plaats en de kenmerken van het potentiële effect van het project. Met name acht de Afdeling van belang dat de beantwoording van de vraag of voor een voorgenomen activiteit het opstellen van een m.e.r. is vereist, afhangt van de specifieke omstandigheden van het geval en in beginsel ter beoordeling van het bevoegd gezag staat. De beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag geeft dus de doorslag en de Afdeling toetst daarom de uitkomst van de mer-beoordeling marginaal. In de uitspraak Hazerswoude-Dorp oordeelt de Afdeling op gelijke wijze.

Uit beide uitspraken kan worden afgeleid dat het over het algemeen zeer lastig is om de uitkomst van een mer-beoordeling in rechte succesvol aan te vechten. In ieder geval is vereist dat u een deskundige in de arm neemt, die de inhoud van de mer-beoordeling kan weerleggen. Het is afwachten of de Afdeling in dat geval bereid is van koers te wijzigen.

 

[1] ABRS, 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3546

[2] ABRS, 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3726