Bouwleges willekeurig en onredelijk

Bouwleges willekeurig en onredelijk

Bouwleges willekeurig en onredelijk

 

Vrij recent heeft de Rechtbank Rotterdam een opvallende uitspraak over bouwleges gedaan (Rechtbank Rotterdam, 15 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6754). Wat was er precies aan de hand? De gemeente Rotterdam had van een projectontwikkelaar een bedrag à  € 100.335,– aan leges voor een omgevingsvergunning geheven. De projectontwikkelaar vond dit bedrag wel erg hoog en stapte naar de bestuursrechter. Daar betoogde hij dat de tarieventabel en de legesverordening onverbindend moesten worden verklaard vanwege willekeurige en onredelijke belastingheffing.

 

De Rechtbank Rotterdam ging hierin mee en oordeelde als volgt. Gemeenten hebben op grond van vaste rechtspraak een ruime mate van beleidsvrijheid bij het vaststellen van een legesverordening. Zij mogen een heffingsmaatstaf toepassen die het beste past bij hun beleid en hun praktijk van belastingheffing. De rechter grijpt pas in als de tariefstelling leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing.

 

Tussen de hoogte van de leges en de diensten van de gemeente hoeft geen verband te bestaan (Hoge Raad 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:BI1943). De leges mogen dus hoger zijn dan het bedrag dat aan gemeentelijke diensten is geleverd. Dat betekent echter niet dat er helemaal geen evenredigheid tussen de leges en de bouwsom moet bestaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780 volgt dat een vast, bescheiden percentage van 2,5 procent van de bouwkosten niet willekeurig of onredelijk is. In het geval van de gemeente Rotterdam leidde toepassing van de tarieventabel echter tot een legesbedrag van 5,35 % van de bouwkosten. De Rechtbank vond dit zo hoog, dat geen sprake meer was van een bescheiden percentage.

 

Ook de tarieventabel zelf kon de Rechtbank niet bekoren. In de tarieventabel was een indeling gemaakt in categorieën op basis van bouwkosten. Per categorie werd een vast legesbedrag geheven. Dit leidde ertoe dat binnen de bouwcategorieën grote verschillen in bouwleges ontstonden. Ook bij de overgang van de ene naar de andere bouwcategorie was sprake van sterke stijgingen.

 

De Rechtbank oordeelde daarom er geen evenredigheid is tussen de hoogte van de leges en de hoogte van de bouwsom. Ook was de rechtbank van oordeel, dat er geen verband bestaat tussen de hoogte van de bouwsom en de leges. De Rechtbank concludeerde daarom de legesverordening en de tarieventabel onredelijk zijn en verklaarde deze onverbindend. Dit had tot gevolg dat de legesaanslag van de projectontwikkelaar werd vernietigd.

 

Bent u in de praktijk geconfronteerd met een hoge legesaanslag? Deze uitspraak biedt u mogelijk munitie om hier tegen op te komen. Let op: de uitspraak is door de rechtbank gedaan. Het Hof – en eventueel de Hoge Raad – moeten zich nog over deze kwestie uitlaten.